3. De Oldegaarde

Een nieuw begin
 
Er ging het één en ander vooraf aan het moment dat wethouder Langerak in augustus 1966 met een welgerichte worp de ingang van onze zelfgebouwde kantine opende. Het gemeentebestuur bood onze vereniging enkele opties aan. Alle mogelijkheden begonnen met één stelling. Snelwiek zou op Varkenoord het veld op moeten ruimen ten favoure van het immer in populariteit toenemende voetbal. In eerste instantie was een van de alternatieven een plaatsje naast het volkstuinencomlpex aan de Slinge. Een plek die min of meer overschaduwd werd door de Zuiderbegraafplaats. Dit moet het bestuur van onze vrij jonge vereniging een te groot contrast hebben gevonden. (De Schiedamse handbalvereniging HVK, later na een fusie HVC, bespeelde een veld tegenover de katholieke kerk en naast de bijbehorende begraafplaats. Vanuit de kantine keken de handballers pal op de graven van de mogelijke oprichters van de club).
Een mogelijkheid die door de gemeente Rotterdam waarschijnlijk altijd geboden wordt bij een min of meer gedwongen verhuizing is het immens grote complex op Laag Zestienhoven. In deze polder speelde Snelwiek, vooral in de beginjaren na de oprichting al menig wedstrijd. Kieskeurig zijn bestond toen nog niet. Daarvoor was de keuze van speelterreinen te beperkt. Rina Barth – Zweistra noemde het een sportief hoogtepunt naar Laag Zestienhoven te mogen lopen (NB. In de oorlogsjaren reed er geen tram) en vervolgens een dieptepunt weer terug te moeten lopen.
Historisch gezien ligt er een stukje Snelwiek op Laag Zestienhoven, maar heeft de club ‘van Zuid’ nu werkelijk iets te zoeken op een plaats iets ten noorden van Rotterdam?
Onze toenmalige dames schrokken al bij het idee dat zij tot lustobject verheven zouden worden door de vele voetballers die op Laag Zestienhoven hun sport beoefenden. Dit ervoeren zij eigenlijk al bij elke uitwedstrijd die daar gespeeld diende te worden. Opmerkingen over het vrouwelijk schoon dat daar in korte, verleidelijke broekjes langs de voetbalvelden paradeerden werden vervelender bevonden dan de lange afstanden die bestonden tussen kleedkamers en handbalvelden.
Een derde optie was een stek op het sportcomplex achter de hoek Spinozaweg en Slinge, waar nu de voetbalverenigingen Belvedère en DRL actief zijn. Een ogenschijnlijk goede locatie tussen de oudere bestaande wijken Vreewijk en Zuidwijk en het jongere, groeiende Lombardijen. Waarschijnlijk vond het bestuur zich in de situatie dat het mocht kiezen uit dit redelijke alternatief en onze huidige accommodatie aan de Oldegaarde.
 
Zuid verandert
 
Langzaamaan veranderde het beeld van Rotterdam – Zuid. Het nooddorp Brabants Dorp werd gesloopt om plaats te maken voor Zuidplein. Het ziekenhuis Ikazia stond toen al overeind. De idyllische Kromme Zandweg die vanaf de Dordtsestraatweg langs modderslootjes, boerenakkers, braakliggende (speel)-terrijnen en hier en daar een volkstuin tot ver in Charlois voerde, verdween.
Het legendarische wielerbaantje, waar de jeugd uit Vreewijk – De Vaan elkaar betwistten als echte wielerkampioenen en waar LMO en latere buurman Zuiderster broedelijk het voetbalveld middenin deelden, werd heringedeeld en toegewezen aan het eveneens van Varkenoord vertrekkende Zwart – Wit ’28.
Een speeltuinvereniging verhuisde naar de Pinksterweide in De Vaan. Bestaande sloten werden gedempt en nieuwe gegraven. Een compleet nieuwe groengordel ging ontstaan, het Zuiderpark. Een tamelijk groot gebied, globaal omzoomd door de Groene Kruisweg, Carnissesingel, Vaanweg en Oldegaarde.
Een gebied dat zich zou ontwikkelen tot een multifunctioneel recreatiegebied. Aan de ene zijde het sportcomplex Ahoy en het openluchtzwembad de Plompert, inmiddels wegens exploitatiemoeilijkheden weer afgebroken, en aan de andere zijde veel sportvelden naast elkaar waar diverse sportafdelingen tot bloei kwamen. Tussenin veel groen en water.
 
Het hoogtepunt
 
De leden van het bestuur, toen onder leiding van Peter Griese, waren direct gecharmeerd van deze nieuwe mogelijkheid. Wel bestond nog een onderhandelingspunt met de gemeente, Snelwiek wenste onder geen beding een accommodatie te moeten delen met een voetbalvereniging. Sprake was onder andere een terreinindeling met Zuiderster. Zoals de beoefenaars van het hockey zich verheven voelden boven het handbal, zo leek het ook te gaan tussen handballers en voetballers. Vooral de dames vonden het een grof volkje. Later zou uiteraard blijken dat deze mening volkomen te onrechte als argumentatie werd gebruikt en ontwikkelde Zuiderster zich, evenals Zwart – Wit ’28 als goede buur, waarbij vormen van samenwerking en overleg mogelijk bleken. Aanvankelijk ontstond binnen het bestuur discussie na het toewijzen van de huidige accommodatie die wij zelfstandig zouden gaan bewonen. Want een eigen accommodatie roept onmiddellijk de noodzaak van een eigen kantine op. Niet iedereen zag het afsluiten van een lening op langere termijn zitten en hoe zou de ontwikkeling van het elfhandbal zijn? Men sprak en dacht steeds meer over zevenhandbal. Doortastend en overtuigend optreden van Peter Griese deden bij de weifelaars de laatste twijfel wegnemen en op 12 januari 1966 begon Snelwiek met wat Peter Griese “het hoogtepunt uit de geschiedenis van de vereniging” noemt; de bouw van de kantine.
 
Een unieke verzameling
 
Onbedoeld vergeet Peter Griese hierbij een ander “hoogtepunt” te vermelden. Toevalligerwijs beschikte Snelwiek over een groot potentieel enthousiaste vrijwilligers met niet alleen de juiste dosis spirit, ook de professionele ervaring behoorde tot de aanwezigheid. Van iedere bouwdiscipline waren leden aanwezig. En de disciplines op zich verdeelden zich weer moeiteloos in echelons. Een unieke situatie waar dankbaar gebruik van werd gemaakt. John de Koning werkte als architect bij het gemeentelijk Stadstimmerhuis. Samen met Henk Molenaar, inmiddels afgestudeerd in weg – en waterbouw, werden technische berekeningen gemaakt die tot een uiteindelijke bouwtekening resulteerden. Zoals vermeld ving de werkelijke bouw aan in de wintermaand februari van het jaar 1966. Het woord ‘broeikaseffect’ kwam toen nog niet in de woordenboeken voor. Er lag dus een flinke laag sneeuw en een snerpende gure wind, nog onbelemmerd door bomen of loof, speelde met de winterjacks van de arbeiders. Het allereerste werk bestond uit het graven van een kuil waarin de fundering een plaats moest vinden. Alhoewel toen al veel mannen aanwezig waren werd gebruik gemaakt van een graafmachine. Later zou blijken dat de aannemer en eigenaar van deze machine vergeten is Snelwiek een rekening voor deze werkzaamheden te presenteren. Stilzwijgend accepteerden het bestuur dit als een welkome vorm van sponsoring. Overigens verdienden de diverse aannemers toch al weinig aan Snelwiek omdat de zelfwerkzaamheid de boventoon voerde.
 

 

Iedereen werkt
 
In een spaarzaam verwarmde bouwkeet zorgden een aantal dames voor belegde boterhammen, koffie en hete soep, zodat de werkers niets te kort zouden komen en niets aan de barre weersomstandigheden zouden overhouden. Over alle minder positieve omstandigheden werd echter nooit geklaagd. De sfeer was optimaal en iedere werker in welke hoedanigheid dan ook, denkt aan deze periode terug als was het een prachtige tijd. Zo vond Walter Griese het een eer dat hij de kosten van het ijzervlechtmateriaal ten bedrage van f 1.500,00 mocht voorschieten en dit geld pas een half jaar later mocht incasseren. Vanzelfsprekend plaatste Walter, wel met behulp van derden, zijn eigen materiaal. Zo werd langzamerhand de kantine opgetrokken. Vele zaterdagen werden doelzaam doorgebracht. Het “ziekteverzuim” nam toe. Vooral als de firma de Boo ’s middags rond vier ur beton kwam storten hadden “de tandartsen” overwerk. Het gestorte beton diende onmiddellijk verwerkt te worden en daarom kon het gebeuren dat pas om twaalf uur ’s nachts de schijnwerpers gedoofd konden worden en men elkaar welthuis wenste. 
De grote coördinator van het hele gebeuren droeg de naam Pleun Nouwen. Het begon ermee dat hij van iedere persoonlijke ontmoeting gebruik maakte werkers te ronselen. Was er geen persoonlijke communicatie zonder hulpmiddelen dan greep Pleun de telefoon en zorgde zo voor voldoende arbeidskrachten.
Op het werk zelf verdeelden Frans Sweben en Jan de Neef de werkzaamheden als volleerde opzichters. De algehele technische leiding lag bij Frans Sweben.
Iedereen was inzetbaar, al was het maar om kromme spijkers uit planken te trekken en deze weer recht te slaan. Van echt oud tot tamelijk jong. Echt oud waren de opa’s Rondberg en Meijer. De laatste hield zich altijd op rond de werkplaats, hier en daar aanwijzingen geven of lichte werkzaamheden uitvoernd. Ook een aantal vaders van leden voelden zich betrokken. De ‘ouwe’ Helsloot, Van Doorn en Keehnen waren regelmatig aanwezig. De toevoeging ‘ouwe’ sloeg niet zozeer op de leeftijd als wel op het ouderschap. De allerjongsten, waaronder Bas van Doorn, Piet Koster en Fred Nouwen, zamelden geld in door middel van diverse acties of assisteerden timmerlui zoals Jan de Neef en Kees van Straten met het vasthouden van planken of het aangeven van gereedschap. Steeds hoger groeide ons gebouw. Leerlingen van de technische school aan de Huismanstraat werden bereid gevonden als metselaar met echt materiaal te oefenen.
Dit tot tevredenheid van de leerkrachten en Snelwiekleiding. Per slot van rekening staat de kantine na vijfentwintig jaar nog als een huis overeind. Als beloning ontvingen alle leerling-metselaars naast de nodige consumpties allemaal een voetbalshirt.
 
Spannend moment
 
Natuurlijk verliep niet alles vlekkeloos. Jan de Neef was zo ongelukkig een bus verf in zijn zojuist aangeschafte auto om te laten vallen. Iets waar hij nu om kan lachen, maar wat toen de nodige krachttermen ontlokt moet hebben. . De spierontwikkeling van Rinus Keehnen verkeerde nog niet in een vergevorderd stadium en wat wel aanwezig was liet hem volledig in de steek op het moment dat hij met een kruiwagen gevuld beton in een kuil donderde. Maar hij had succes, alle lachers deelden zijn smart. Een werknemer van de firma Stolk verminkte zijn hand bij het op maat maken van het houtwerk van de kozijnen. Dit gebeurde overigens in de fabriek van Stolk en de ongelukkige stond ook niet op onze ledenlijst. Een zeer spannend moment brak aan nadat een vrachtwagen met kraaninstallatie van de firma Erdo in de zompige modder vastraakte. Met mensenkracht werd de vrachtauto bevrijd. Maar, zo zou later blijken, de dienstbaarheid van de kraan bleek overschat. De laatste ijzeren dakbint telde een teveel aan gewicht. Wat te doen? De oplossing lag niet voor de hand, maar herinnerde aan de techniek van onze verre voorouders, de hunebedbouwers. Blote handen, opgestroopte mouwen en vooral mankracht. De bint werd door een vijftiental werkers centimeter voor centimeter gelift. De winst in opwaartse richting steeds benuttend door dit op te vullen met vaten en ander voorhandzijnd materiaal. Al met al een allengs wankeler wordend geheel. Bovenop de al gebouwde constructie zat Arie Nouwen te wachten om de bint met bouten en moeren zo snel als in zijn vermogen aanwezig was, vast te zetten. Dit geheel leverde een spannend uurtje op, vooral voor de echtgenotes, die op enige afstand dit tafereel volgden. De mogelijkheid was aanwezig dat bij het niet meer houden van de bint ernstige gewond zoniet doden, te betreuren zouden zijn geweest.
 

 

Foto en film
 
Nadien had Arie Nouwen een iets minder risicovol karweitje. Het plaatsen van traliewerk voor de ramen, nadat deze eerste op het veld in elkaar waren gelast en later tegen de roest waren gezandstraald en gegalvaniseerd. Dit aanbrengen van traliewerk scheelde Snelwiek een aanzienlijk bedrag aan verzekeringspremie en is tot op de dag van vandaag zeer succesvol gebleken tegen ongenode gasten en vandalisme. Nu het gebouw was opgetrokken en geheel dicht was kon met het afwerken een begin gemaakt worden. Even daarvoor schreven een aantal bouwers geschiedenis door hun naam boven op de tussenmuur te schrijven. Een aantal dames nam de uitdaging aan om een gedeelte van het sanitair te betegelen. Daarbij werden spijkers als tussenvoeg gebruikt.
In een relatief korte periode van een half jaar stond daar opeens een eigen home. Volgens Koos Voogt vanwege de grote animo en vakbekwaamheid van vooral serieuze sfeer waarbij niet gedold werd. 
Vanaf maart 1966 werden al de eerste thuiswedstrijden op het nieuwe complex gespeeld. Bouwketen dienden als kleedruimten. Af en aan rijdende vrachtwagens vermeden het juist aangelegde speelveld en hielden keurig koers over het pad. Uiteindelijk bleek de bouw in zijn geheel financieel te zijn meegevallen en boekte de penningmeester zelfs een batig saldo van f 2.000,00 aan het einde van de rit. Daar zal een slimme begrotingsopzet zeker debet aan zijn geweest.
De gemeente Rotterdam subsidieerde overigens twee van de vier kleedkamers.
Alle bouwers ontvingen na afloop ter herinnering een fotoalbum, met foto’s aangepast aan de persoon. Achteraf gezien een cadeau waar iedere bezitter trots op is.
Ook werd gedurende de gehele bouwperiode een film gemaakt. Bij periodieke gelegenheden wordt deze geluidsloze film gedraaid, waarbij de nauw betrokkenen met de neus tegen het filmdoek hun hart ophalen.
Het zij vermeld, zaterdag 27 augustus 1966 was het wethouder Langerak die onder grote belangstelling de kantine voor het publiek openstelde. Diezelfde dag receptieerde Snelwiek ter gelegenheid van haar vijfentwintig jarig jubileum.
 

 

Daarna
 
Vergeleken bij andere handbalverenigingen bevonden de Snelwiekers met een uit steen opgetrokken clubhuis zich in een bevoorrechte positie. Het interieur was zogenaamd z.g.a.n. aangeschaft uit een openbare verkoping. Waarschijnlijk uit het faillissement van hotel Atlanta. Het onderhouden en bemannen van de kantine en bar vraat om vrijwilligers. Een heet hangijzer binnen elke vereniging. De werkzaamheden schijnen altijd neer te komen op de schouders van een enkeling. Toch blijkt dit in de praktijk wel mee te vallen.
Vooral als gerealiseerd wordt dat Snelwiek geen grote vereniging is en dat het aantal vrijwilligers dat uit het potentieel te voorschijn komt procentueel een goede score is. Een voorbeeld: maak een optelsom van alle bestuursleden, commissieleden, jeugdtrainers, begeleiders, scheidsrechters, klussers en kantinebedienden.
Het resultaat zou zo’n vijftig mensen zijn die belangeloos voor Snelwiek bezig zijn. Dit op een volwassenpotentieel (vanaf de juniorenleeftijd) van 140 (peildatum 31-12-1990) geeft een percentage van 35% actieve leden. Zeker niet slecht en mag door niemand onderkend worden. In de eerste gebruiksjaren van ons eigen clubgebouw was het bezoek schaars te noemen. Wel was men geneigd eerder na een uitwedstrijd de gastheer te begroeten en te vertrekken om “thuis” nog een flesje te drinken. Een kantinecultuur ontbrak natuurlijk nog. Daarom is het belangrijk dat de vereniging een commissie in het leven roept om iets recreatiefs te organiseren. Dit kwam in de eerste aanvangsjaren zeer traag op gang. Bij het exploiteren van een kantine treedt meteen een tweespalt op. Welk beleid te volgen? Is de vereniging er alleen voor sport overdag?
Of heeft het door de jaren heen een maatschappelijker functie gekregen? Houd je de prijzen nadrukkelijk laag of probeer je zodoende het consumptiepatroon te beïnvloeden? Ga je alcoholhoudende dranken verkopen? Snacks frituren?
 Allemaal vragen die door de jaren heen gesteld en door de diverse besturen naar eigen smaak ingevuld zijn. Natuurlijk is het consumptiepatroon de laatste vijfentwintig jaar ontzettend veranderd. Niet voor niets klaagt de horeca dat sportkantines een flink aandeel van hun omzet afknabbelen. Hier kan het tegenargument zijn dat een sportkantine een drempel voor de buitenstaander opwerpt door de uitstraling van een ogenschijnlijke beslotenheid. Alle stellingen zijn van twee kanten benaderbaar. Kiest men voor recreatiehandbal dan staat dit topsport in de weg. Andersom kan dit ook en beiden zullen van invloed zijn op de kantine en het verenigingsleven.
Dit is niet de plaats een oplossing of suggestie aan te dragen. Dit is er beoordeling van het bestuur en de leden individueel. Er zijn twee stellige zekerheden. Met de opbrengst uit kantine-inkomsten kan geïnvesteerd worden in trainers en trainingsmateriaal. Ook bewaart de vereniging een stukje identiteit, waarbij de gezelligheid een ingrediënt is.
Wij allen voelen ons toch thuis bij Snelwiek?
 
Uitbreiding en inkrimping
 
Zoals het vrijwel overal in Rotterdam verging ontkwam ook Snelwiek niet aan grondige renovatie. Het toenemende gebruik van de accommodatie voor andere zaken buiten de handbalsfeer zoals eetavonden, spelletjesdagen voor de jeugd, disco’s etc., maar ook de toeloop op zondagen met een druk thuisprogramma noopten tot een daadwerkelijke uitbreiding van de kantine. Een aantal werkers van de oudere garde zag hun kans schoon weer een aandeel in de werkzaamheden op te eisen. Terwijl nieuwkomers als Hans de Wilde en Aad Klein maar al te graag mee wilde werken. Aan de rechterzijde van het gebouw werd vier meter aangebouwd en in de ontstane ruimte binnen werd een bestuurskamer gerealiseerd. Buiten werd een flink gedeelte overkapt. Wat Frans Sweben in 1966 niet is overkomen, lukte hem wel bij het overkappen in 1990. Een val van de ladder leverde hem een gebroken rib op. Wat echter niemand durfde te hopen was dat hij na behandeling dezelfde dag nog lopend het ziekenhuis mocht verlaten. Een jaar daarvoor al werd de kantine feestelijk heropend door oud-voorzitter en medeoprichter Kees Kros.
Met het oog op het vijftigjarig jubileum werden gaande het feestjaar 1991 de kleedkamers geheel gerenoveerd. Inmiddels waren wij ook al bezitter van een verhard veld, waarover later meer, en raakten wij de helft van ons grasveld kwijt aan Zwart – Wit ’28, die dit nu als trainingsveld gebruikt.
Voor Snelwiek hield dit onder meer in dat de ingang aan de Oldegaarde verplaatst werd naar de achterzijde aan het eind van het pad dat loopt tussen ons veld en dat van Zuiderster.