2. Na de oorlog
Oorsprong van het handbal
Alvorens de geschiedenisdraad weer op te nemen een stukje historie die aan onze oprichting vooraf ging.
Want handbal, in de meest vergelijkbare vorm van het huidige spel, wordt al zo’n zes á zeven decennia in ons land gespeeld. Rond 1870 speelden de Amerikanen al een soort spel wat verdacht veel op het handbal geleek. Maar om de Amerikanen het idee te ontnemen dat zij alles hebben uitgevonden lijkt het misschien verstandiger om het wat dichter bij huis te zoeken. Onze oosterburen beoefenden, ook al in de vorige eeuw, een sport die zij ‘ Torball’ noemden. Deze variant uit die tijd leek het meest op het vroegere veldhandbal. De Denen gooiden ook al een balletje. De naam die zij daarvoor verzonnen hadden was ‘Haanbold’. Wat de naam betreft begon het er al op te lijken. Treffend is dat de Deense variant het meest valt te vergelijken met de eerste zaalhandbalactiviteiten. Later worden de speelvelden in Denemarken vergroot van 40 x 20 meter naar 80 x 40 meter.
Het zal duidelijk zijn dat het handbal een zogenaamde sport in ontwikkeling is geweest. Het heeft meer dan een eeuw lang onder invloed van veranderingen gestaan. Eigenlijk is het handbal dat rond de eeuwwisseling gespeeld werd een combinatie van korfbal, basketbal en voetbal. Voetbal voor wat betreft de afmetingen van het veld en doel en het hanteren van enkele spelregels. De erfenis van het korfbal was het stilstaand aspect, wat deze sport nog steeds karakteriseert. Als vroegste voorloper in Nederland zou men vuistbal aan kunnen wijzen. Deze sportvorm had iets van handbal in zich. De bal diende met de vuist, nadat de bal stilstaand moest worden overgespeeld, in het doel geslagen worden.
In Nederland
Voor velen zal het ongeloofwaardiger klinken, maar de oorsprong van het nationale handbal ligt in Groningen. Niet in Limburg of rond Den Haag waar de ‘smaakmakende elite’ huist, zoals Sittardia, Vlug en Lenig, Hermes of Hellas. In 1926 werd de eerste aanzet op een grasveldje ergens in het Groningse Stadspark gegeven. Een aantal turnverenigingen wilden wel eens wat anders en onder leiding van Aolke Faber oefenden deze pioniers de eerste handbalbewegingen. Het zal daarom niet vreemd zijn dat de eerste competitie een Groningse aangelegenheid was. Aspasia mocht zich de eerste handbalkampioen van Nederland bij de dames noemen. Bij de heren werd dit Jahn II uit Stadskanaal.
Omdat handbal een bewegingssport was, werden de kampioenschappen georganiseerd door het K.N.G.V. (Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Verbond). Na een aantal ingewikkelde intriges ressorteerde het handbal pas in 1936 onder de Bond Handbal Commissie en in 1942 statutair onder het N.H.V. (Nederlands Handbal Verbond). Overigens trad de afdeling Limburg pas ver na de oorlog tot het N.H.V. toe.
Ten tijde van de oprichting van De Snelwiek waren al een aantal verenigingen in de afdeling Rotterdam actief. Het al eerder genoemde Dynamo, maar ook De Meeuwen, Hollandiaan, A.D.O., D.W.S en Vires et Celeritas. Zelfs gemeenten als Gouda en Gorinchem telden beiden drie handbalverenigingen. Binnen de stadsgrenzen van Rotterdam handbalden behalve de genoemde nog bestaande verenigingen destijds Hollandia, Minerva en Rotterdam. Niet veel, vooral als dit aantal van twaalf clubs vergeleken wordt met het Haagse potentieel van achtentwintig. Logisch dat beide afdelingen werden samengevoegd tot het district West B.
Pacifisten
De Snelwiekers die tijdens de oprichting gemiddeld zo’n achttien jaar oud telden, waren plotseling volwassen en een ervaring rijker. Elke dag weer moesten er confrontaties zijn geweest die de afgelopen bezettingsjaren weer voor de geest brachten. Herinneringen aan arbeidsinzet, onderduikers, razzia’s en deportaties maakten onder andere Henk Kindt en Niek Schouten dienstweigeraars. De eerste kreeg taakvervangend werk terwijl Schouten voor bepaalde tijd naar kamp Vledder verdween. Inmiddels diende zich een jongere groep handballers aan. Zij overleefden de oorlog als tieners en hebben (mogelijkerwijs) deze periode als minder indringend, misschien wel spannend, beleefd. Vast staat, in ieder geval, dat binnen de eerste Snelwiekgroep de herinneringen niet al te emotioneel waren. Met uitzondering van een enkeling heeft niemand in één van de Duitse vernietingingskampen gezeten. Later zouden enkelen van de nieuwe lichting het als hun plicht ervaren zich naar Nederlandsch – Indië te laten inschepen. Peter Griese, Roel Schmidt en Gerrit van der Neut hoorden daarbij, maar daarover later meer. Tussen de dragers van ‘het gebroken geweertje’ en de verdedigers van het ‘overzeese’ ontsponnen zich, vreemd genoeg geen hoog oplopende discussies. Men respecteerde elkaars mening.
Weer handballen
De competitie in Nederland kreeg 16 september 1945 een aarzelend vervolg. De gesteldheid van het terrein aan de Mare kon in de achterliggende jaren alleen nog maar verslechterd zijn. De term knollenveld was toen zeker op zijn plaats en Laag Zestienhoven was grotendeels veranderd in een aardappelveld. Wij gingen onze thuiswedstrijden spelen op Varkenoord, in de schaduw van de Kuip, gebouwd in 1937. Getraind werd nog steeds aan de Mare onder leiding van Kees Kros. Toch was het voor hem een aflopende zaak. Hij aanvaardde een functie als bedrijfsleider bij het sportfondse zwembad aan de van Maanenstraat en betrok daar een dienstwoning. Handbal en werk waren niet langer te combineren en spoedig droeg hij de voorzittershamer over aan Han Terlouw. Het ledental in die jaren schommelde rond de vijftig. Vreemd genoeg was de verhouding mannen en vrouwen in het voordeel van de eerste terwijl landelijk gezien de dames in de meerderheid waren. Een beeld trouwens dat bij Snelwiek door de jaren heen standhoudt. De contributie in die tijd bedroeg voor de senioren een kwartje en voor junioren ‘slechts’ een dubbeltje.
Junioren
De eerste junioren die het bedrag van tien cent moesten opbrengen waren onder andere Rinus Verbeek, Leen ter Woort en Binus Flipse. Nog steeds stapte men op tram of trein als de afstand per fiets te groot werd geacht. Het verzamelpunt bij uitwedstrijden was de hoek Beyerlandse laan en Polderlaan in Hillesluis. Van daar lopend naar het vertrekpunt spoorstation Zuid aan de Oranjeboomstraat. Het regime van de leiding zou je hard doch rechtvaardig kunnen noemen. Wie te laat bij het vertrekpunt arriveerde stond reserve. Vooral tijdens de wintermaanden werd dit als een geduchte straf ervaren. Handballen in de sneeuw of met vorst was, ondanks het jeugdig fanatisme, geen pretje, laat staan het simpel functioneren als reserve langs de zijlijn. Protesteren tegen deze gang van zaken durfden de toenmalige junioren echter niet. Zij keken huizenhoog op tegen het kader, die toen amper tien jaren ouder moeten zijn geweest en waarvan de meesten in het EERSTE speelden. Behalve een leeftijdskloof zou je ook kunnen spreken van een beleefdheidskloof. Junioren hadden ontzag voor de senioren waarvan zij het spelletje moesten leren. Tutoyeren was uit den boze.
Het aantal junioren zou de eerste jaren voorzichtig oplopen naar tweeëntwintig. Op een totaal ledenbestand van vierenvijftig was dit een percentage van ongeveer veertig procent. In een hedendaagse vergelijking zou dit percentage een vertrouwensvol beeld voor de toekomst geven. Voor het seizoen 1947 / 1948, waar bovenstaande cijfers realiteit waren, betrof het een record en betekende zeker een basis voor de komende ontwikkelingen bij De Snelwiek.
Schoenenbonnen
De stad Rotterdam werd opgebouwd. Hier en daar verrezen noodwinkelstraten. Door de hier aanwezige industrie bevond het openbaar vervoer zich al snel in de vooroorlogse staat. De infrastructuur had de grootste prioriteit. Dit in tegenstelling tot onze noordelijke provincies waar boerenwagens en Canadese legertrucs pendelden. Natuurlijk bestond er verder nog een groot tekort aan materiaal. Een soort Marshall – hulp voor het handbal heeft nooit bestaan. Toch kreeg het Handbal Verbond in 1946 de beschikking over zesduizend paar sportschoenen en duizend ballen. Hoe deze aantallen evenredig over de Nederlandse handbalverenigingen verdeeld zouden moeten worden, vermeldt de geschiedenis niet. In ieder geval is deze schenking niets bij De Snelwiek terechtgekomen. Dat een verdeling door middel van bonnen zou moeten plaatsvinden spreekt voor zich.
Ook bij De Snelwiek ontkwam men niet aan distributieperikelen. Binnen de vereniging verlootte Pleun Nouwen, als voorzitter, een aantal schoenenbonnen. Deze gaven recht op een paar gymschoenen, bij de Bata tegen kostprijs aangeschaft. Door de jaren heen, dat zal telkens blijken, heeft Snelwiek veel baat gehad van leden die werkzaam waren bij bepaalde bedrijven of daar een leidinggevende functie vervulden.
De eerste die als zodanig bestempeld mocht worden is Kees Kros geweest, die zijn beroep van gymnastiekleraar gebruikte voor het opleiden van onze eerste handballers.
In een ander echelon deed Ans Nouwen, de echtgenote van Arie Nouwen, dit ook. Als thuiswerkster bij de firma Gerzon beschikte zij over lappen stof en gereedschap, waaronder ongetwijfeld een naaimachine van het merk Singer, scharen, naalden en meetlinten. Zodoende was zij in de gelegenheid om met behulp van een aantal vriendinnen die in ateliers werkzaam waren, Snelwiek – tenues te maken en vermaken en zelfs een paar jacks te vervaardigen. Vooral het groepje waarmee de reisjes naar Brabant werden gemaakt, droeg gelijksoortig gekleurde windjacks.
Leegloop
Het ledenaantal van De Snelwiek bedroeg in het seizoen 1947 / 1948 vierenvijftig. De onderverdeling was als volgt; twintig heren, twaalf dames en tweeëntwintig junioren. Juist rond 1947 kampte de vereniging met een aantal opzeggingen. In de meeste gevallen was verhuizing naar een andere gemeente, veelal in een verre provincie, de oorzaak.
Desondanks bleef het aantal vrij stabiel rond de vijftig schommelen. Het aandeel heren bleef mondjesmaat groeien en wat de dames betrof was het verloop vrij grimmig. Van twaalf dames naar tien (1949 / 1950), vervolgens zevenentwintig in 1951 / 1952 om daarna te stabiliseren (zevenentwintig in het seizoen 1954 / 1955, negenentwintig in 1956 en drieëndertig in 1957).
De belangrijkste aanwijsbare reden voor de minieme toename was de drang tot het moederschap. Wij hadden veelal jonge echtparen in het ledenbestand die de bekende clichématige gedachte van ‘de hoeksteen der samenleving’onderstreepten. Dit ondanks een groeiende pessimistische kijk op de toekomst, vooral ingegoten door een inmiddels gecreëerde koude oorlog, waarbij angst voor het oprukkende communisme een grote rol speelde. Diezelfde angst lag ook ten grondslag aan het voornemen van enkele gezinnen te gaan emigreren.
Ook Snelwiek heeft een eigen clublied.
Snelwieklied
Bij warmte, kou en regenwind, Blijft Snelwiek steeds paraat. Het is de band die ons verbindt, Waar het op ’t Volkshuis steeds om gaat. Van liefde en gemeenschap, In mens en medemens. Dus vormt een band van vriendschap, Dat is ons aller wens. In Snelwiek doen wij steeds ons best Een ware vriend te zijn. Bij prachtig spel, dat ons nog rest, Wordt handbal een festijn Houdt allen hoog sportiviteit, Dan wordt het spelpeil goed En Snelwiek kent zijn mooiste strijd Vol levensdurf en moed. |
Bindmiddel
In het spaarzame en daarom zeldzame Snelwiek archief, dat voornamelijk bestaat uit een aantal verschillende jaargangen Snelbinders uit de beginperiode tot pakweg begin jaren vijftig, valt op te maken dat het lidwoord De voor Snelwiek begin 1948 plotseling niet meer gebruikt wordt. Een aanwijsbare reden daarvoor is nergens terug te vinden. Zelfs niemand weet zich deze minieme naamsverandering te herinneren.
Vanaf nu zal dan ook in de verdere geschiedbeschrijving van Snelwiek gesproken worden.
Werd het vroegste clubnieuws via het mededelingenbord in het Zuider Volkshuis bekend gemaakt, een echt cluborgaan zou toch niet mogen ontbreken. Vijf jaar na de oprichting schreef Peter Griese “Eindelink is het zover, dat we een eigen blad hebben. Af en toe verscheen er wel iets de laatste tijd, maar niet zoals wij het wilden. Want een eigen clubblad moet je niet onderschatten”.
Peter Griese hoefde de redactie en de daaruit voortvloeiende verantwoording niet alleen op zich te nemen. Nel Markus ontpopte zich als een kundig medewerkster. Saillante vermelding in het eerste nummer van de eerste jaargang in juli 1947 was de mededeling dat de leden en donateurs / trices het blad gratis ontvingen.
Overige geïnteresseerden moesten bij Nel Markus aan de Struweel 82 vijf cent neerleggen voor een los nummer. Dit prijskaartje verdween als snel uit de kop zodat aangenomen mag worden dat buitenstaanders niet in rijen voor de deur van de toenmalige redactrice stonden. Overigens bestond het eerste orgaan uit vier foliovellen met wat algemeen landelijk handbalnieuws en korte verenigingsgebonden nieuwdtjes. Een naam was nog niet verzonnen. Voorlopig verscheen het clubblad maandelijks als
OFFICIEEL MEDEDELINGENBLAD VAN
H.V. “DE SNELWIEK”.
Advertenties
Omstreeks het vijfde nummer veranderde het uiterlijk plotseling in een vijftien pagina’s tellend boekwerkje met twee nietjes keurig in de rug om het geheel bijeen te houden. Wim Serlier trad als corrector tot de redactie toe en het resultaat mocht er meteen zijn. Een volkomen foutloze tekst. Het betreffende vijfde nummer werd door het Grafisch Service Bedrijf Weeber & Verstoep gedrukt. Nel Markus versierde, waarschijnlijk op jaarbasis, een zestiental advertenties. De adverteerders hadden hun nering in Vreewijk, een enkeling in de meest nabije omgeving daarvan. Vishandel “De Maas”, De radio specialist “W. van Raayen”, Vleeshouwerij en spekslagerij “J.L. van de Ende”, rijwielhandel “J. van Straten”, bakker “Van ’t Hoff”en “J. Stoutjesdijk” voor levensmiddelen uit de Bleekerslaan rekten hun bestaan dankzij een advertentie in ons clubblad.
Doordat wekelijks wedstrijden gespeeld hoorden te worden en de frequentie van het blad maandelijks was, werden de opstellingen niet vermeld. Spelers en speelsters werden door middel van een voorbedrukte uitnodigingskaart in kennis gesteld. Bijvoorbeeld, vertrek om 10.00 uur per fiets van het Zuider Volkshuis naar Hillesluis om aldaar met trein of tram verder te reizen. Ook de positie in het elftal werd aangegeven.
Wel vermeld werden de uitslagen. Zodoende bleef voor het nageslacht bewaard dat op 4 oktober 1947 de meisjes junioren tegen Dynamo het opvallende resultaat van 0 – 0 gelijkspel boekten. Mogelijk werd met een te zware herenbal gespeeld.
Snelbinder
“Weer heeft de Meimaand zijn intrede gedaan, een nieuwe tijd is weer ingeluid. Iedereen voelt zich als herboren. Bomen, struiken en planten vertonen zich weer in hun prachtige kleuren en tinten. Ook onze krant heeft zich in een nieuw kleedje gestoken, al gaat zij niet in zo’n schitterend gewaad als de natuur, toch verschijnt zij met iets nieuws. Dat nieuws, U zult het wel hebben opgemerkt, is de naam ‘Snelbinder’. Velen zullen nog niet begrepen hebben, waarom wij juist deze naam gekozen hebben. Voor hen zullen we even de verklaring laten volgen. Het eerste gedeelte ‘Snel’is natuurlijk in de eerste plaats afgeleid van ‘Snelwiek’, maar tevens is het een uiting van onze wil om de zaak snel (d.w.z. op rolletje) te laten lopen. Het tweede gedeelte ‘Binder’geeft figuurlijk aan, dat het onze bedoeling is om door middel van dit blad de band tussen de leden en donateurs van ‘Snelwiek’ te versterken”.
Het is mei 1948 toen een nieuwe redactie bestaande uit Aad Bosua, B. Groeneweg en C. Uitdenbogaard, lyrich geworden door een aanstormende lente, bovenstaande tekst publiceerde. Het is nog steeds de eerste jaargang, maar we zijn inmiddels aangeland bij nummer negen. Waarschijnlijk uit kostenbesparing heeft men de eerder aangehaalde uitvoering van het clubblad laten vervallen. Omdat alle posten van een financiële administratie een debet en een creditzijde bevatten zien we ook de advertenties niet meer terug.
Vandaar de geuite veronderstelling dat die advertenties op jaarbasis verworven zijn. Het stencildrukwerk werd weer in eigen hand genomen en in het Zuider Volkshuis op de daar aanwezige stencilmachine afgedraaid. Alle leden kregen hun Snelbinder keurig thuis bezorgd. Per wijk of gedeelte daarvan werd een wijkagent opgesteld, die maandelijks het clubblad op de uiteindelijke plaats van bestemming bracht.
Inhoud
Waarvoor dient een clubblad? In zekere zin is het de band tussen de leden onderling. Het is een voor iedereen toegankelijk orgaan. Het is ook de spreekbuis van het kader naar het lid als individu. Voor een Technische Commissie bijvoorbeeld met opstellingen en oproepen tot het deelnemen aan trainingen.
Dit laatste is het enige wat consequent in vijfenveertig jaar Snelbinder aanwezig was.
Voor de voorzitter is het een ventilatie van zijn kundige visie op de handbalsport en zijn verwachtingen over de toekomst. Voor de penningmeester is het een veelvuldig publiceren van wanbetalers, terwijl de goedwilligen alweer in de anonimiteit verblijven. Voor de secretaris, die wekelijks geconfronteerd wordt met nieuwe aanmeldingen en ook, helaas het is niet anders, met opzeggingen, het samenstellen van overzichten die mutaties op de ledenlijst noodzakelijk maken. Hierbij hopend dat de balans in zijn ambtsperiode niet al te negatief uitslaat. Voor de leden. Reacties op gebeurtenissen? Wedstrijdverslagen?
Over het algemeen zijn dit de ingrediënten, die over bijna een halve eeuw Snelbinder, een vrij eenzijdig menu voortoverden. Eigenlijk een clubblad dat een rechte koers vaart en dat bij eventuele lichte ontsporing geen averij oploopt. Op de gestelde vraag, “Wat vond u van het clubblad?” werd over het algemeen vrij positief geantwoord. Slechts een enkeling gewaagde het zich in negatieve zin uit te laten. Hierin ligt het bewijs dat het gros van de leden niets extra’s verwacht buiten de reguliere rubrieken als opstellingen en verenigingsaangelegenheden. Toch probeerden een aantal leden van die tijd de Snelbinder een eigen gezicht mee te geven. In de tachtiger jaren probeerde Ruud Aret met medewerking van onder andere Wil Visser, Piet Koster, Bas van Doorn, Rob Ramsteijn en de familie Rondberg een maandblad onder de titel “Snelbinder extra” te maken, dat buiten de reguliere Snelbinder verscheen en vrijwel geen handbalnieuws bevatte.
De inhoud varieerde van het vermelden van de zojuist aangepaste minimum jeugdlonen, krantenknipsels uit het verleden, een kookrubriek, strips tot verder voornamelijk kolder. Eigenlijk werd met de Snelbinder extra het traditionele doorbroken en gaf dit meteen stof tot enige discussie. Mag je een clubblad aanwenden tot het publiceren van artikelen, meningen, oproepen en dergelijke die verder niets met het handbal te maken hebben. Zo plaatste Walter Griese, als voorzitter ooit een oproep tot het deelnemen aan een demonstratie tegen het plaatsen van kernwapens in Nederland. Deze demonstratie zou plaatsvinden in Den Haag en speelde zich af in een tijd (1981 – 1985) dat half Nederland in opstand leek te komen tegen de Nederlandse NAVO – verplichtingen kernwapens op het grondgebied te dulden en onze minister-president doof leek voor alle tegenargumenten. Dit kwam Walter op een ingezonden reactie te staan van John Kranenburg die vond dat een clubblad als de Snelbinder geen medium voor maatschappelijke of culturele boodschappen is. John reageerde vanuit zijn professie van beroepsmilitair en helaas is de toen ontstane discussie nooit doorgevoerd.
Techniek
Eén opvallend aspect van vijfenveertig jaar Snelbinder is het niet veranderde drukprocédé. Het stencilen. Al eerder is vermeld dat het Zuider Volkshuis over een machine beschikte waarvan Snelwiek gebruik mocht maken. In 1955 werd door Snelwiek de eerste eigen nieuwe stencilmachine aangeschaft. Deze kon worden bekostigd dankzij het langdurig ophalen van oud-papier. Een actie die onder leiding van Pleun Nouwen tot een positief einde werd gebracht. Na deze investering bleek het evenwel nog niet mogelijk direct een Snelbinder te vervaardigen. De koppen van de oude stencils bleken niet te passen zodat nieuwe besteld moesten worden. Veel later wordt ook gebruik gemaakt van een zogenaamde inbrandmachine. Met dit apparaat is het mogelijk tekeningen en in mindere mate foto’s op het stencil te krijgen. Het moedervel wordt op een cilinder gezet en daarnaast het elektronisch stencil. Een oog leest millimeter voor millimeter het origineel af. De impulsen worden overgenomen door een naald die reageert door het ‘gelezene’ in te branden in het stencil.
Nog steeds wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Op redactieavonden kunt u zien en ruiken hoe dit in z’n werk gaat. Vooral ruiken omdat het inbranden een opvallende geur nalaat. Toch zal het stencilwerk in de nabije toekomst mogelijk verdwijnen en zal Snelwiek noodgedwongen moeten overgaan op fotokopiëren. Producenten van stencilmachines zien hun afzetmogelijkheden steeds verder afnemen en anno 1991 is er nog slechts één fabrikant die nog innoveert in stencilapparatuur. De vergelijking met de vlucht die de compactdiscspeler ten opzichte van de conventionele platenspeler maakt, ligt als voorbeeld voor de hand.
Varkenoord
Vrijwel direct na de bevrijding bestond voor Snelwiek de mogelijkheid een veld op het sportcomplex Varkenoord te pachten. In de schaduw van de Kuip, zo had het toenmalige stadsbestuur besloten, moest het centrum van sportend Rotterdam – Zuid verrijzen. Dat het complex nu na meer dan vijftig jaar nog steeds, in vrijwel ongewijzigde staat, bestaat bewijst zijn functie. Alleen is van één concentratie geen sprake meer.
Sportverenigingen zijn nu uitgewaaierd over heel Zuid en richten zich steeds meer op de wijk waarin zij zich bevinden.
Bij de pachtprijs inbegrepen was het gebruik van de doelen met netten en hoekpalen met vlaggen. Door het ontembare enthousiasme van onze vleugelspelers gebeurde het wel eens dat de hoekpalen kapot gelopen werden. De inventiviteit bij de Snelwiekers was toen ook al groot. Met nieuwe bezemstelen bracht men de paal weer in de oude staat. Op een willekeurige zondag kon een toeschouwer of toevallige passant bijna de hele dag van handbal genieten. Het veld gingen wij namelijk delen met stad- en bondsgenoot Dynamo, een vereniging die Snelwiek goed gezind was en ons goed lag. Ten eerste was daar de aanwezigheid van een groter aantal jaren handbalvaardigheid wat resulteerde in het tweede punt, Dynamo speelde in een hogere klasse. Dat Snelwiek op het moment van ‘samenwoning’ aan een inhaalrace begon zou de geschiedenis leren.
Accommodatie
Vanuit het Clara ziekenhuis, bijvoorbeeld vanaf de zevende verdieping, waar menig handballer zich van een dwarsliggende meniscus af heeft laten helpen, is exact te zien waar Snelwiek (en Dynamo) waren gehuisvest. De ligging is nog precies hetzelfde en de plek wordt voor alle duidelijkheid nog steeds gemarkeerd door een sintelbaan. Deze sintelbaan was veelal in gebruik door de atletiekvereniging A.V.R., waarvan Walter Griese een aantal jaren lid is geweest. Op dagen dat de atletiekvereniging geen gebruik maakte van de baan, testten onze trainers het uithoudingsvermogen van onze handballers. Naast het veld bevonden zich enkele houten keten met eenvoudig sanitair. Zinken bakken voor het opvangen van koud stromend water en per kleedhok een douche die werkte op een muntautomaat. Omdat in veel woningen in Rotterdam – Zuid een badfaciliteit ontbrak (men was aangewezen op gemeentelijke badhuizen), bezochten een vast aantal Snelwiekers minstens één keer per week het complex om aldaar een bad te nemen. Het sanitair kreeg nog een andere functie die niet in de eerste plaats verschonend werkte. Nieuwelingen ontvingen van de oudere garde een ontgroeningsritueel. De ‘wasbak -speciaal’ doop; in handbaltenue onder de koudwaterkraan.
Naast de verkleedruimte stond de gemeenschappelijke kantine. Verschillende sporters van diverse sportverenigingen maakten van deze ruimte gebruik. Hockeyers, voetballers, atletiekers bepaalden met de handballers de sfeer. Vooral de hockeybeoefenaars voelden zich verheven boven de anderen. Dit zou nog lange tijd zo blijven. De ramen van de kantine waren meestal met houten schotten geblindeerd zodat de duister de overhand voerde. Toen al moet het verlangen naar een eigen honk latent aanwezig zijn geweest.
Scharrelheggetjes
Tussen de verschillende sportvelden waren door de gemeente ligusters geplant. Hierdoor zou mogelijk de identiteit van elke sportafdeling op zich gewaarborgd kunnen worden. Voor een aantal Snelwiekjongeren, die de voorlichtingsleeftijd net waren ontgroeid, creëerden de hagen plekjes waar zij zich onbespied waanden. Een groepje nog jongeren, tegen de voorlichtingsleeftijd aan, kreeg snel door wat zich achter de heggen kon afspelen en betitelde de plaatsen waar zij gluurden als scharrelheggetjes. Leerde Rinus Keehnen daar Bep kennen?
De meeste sportafdelingen op Varkenoord waren via een centrale ingang te bereiken. De voetbalverenigingen Overmaas en Feyenoord beschikten als een van de weinigen over een eigen toegang. Een lang recht pad mondde uit bij een scharnierend hek waarnaast een portiershokje was opgetrokken. Dit hokje werd ‘bewoond’ door de heren vander Wiel en Kersenich.
Beiden toezichthouder en terreinchef van het complex. De laatste viel op door zijn vuurrode kapsel en beiden door hun joviale gedrag. Vooral de handballers waren door hen graag geziene gasten. Met achterlating van de fiets in de daarvoor geplaatste fietsenrekken en onder begeleiding van een vriendelijk woord of van één van de twee legden de Snelwiekers de laatste meters naar het veld lopend af. De fietsen waren in vertrouwde handen.
Nogmaals het Zuider Volkshuis
De functie van het Zuider Volkshuis binnen de wijk Tuindorp – Vreewijk en wat zij voor sociaal-culturele invloed had op de eerste leden van Snelwiek is al beschreven in het eerste deel. Hoe dit verder gingin de jaren tot de loskoppeling volgt nu in kort bestek.
Tot in het begin van de jaren vijftig werd het verplicht gesteld het lidmaatschap van de handbalvereniging te combineren met het lid zijn van het Zuider Volkshuis. Zo werd het opzeggen van het lidmaatschap van het Z.V. voor Walter Griese ook een noodgedwongen tijdelijk afscheid van Snelwiek. Hij zag de noodzaak van het Zuider Volkshuis niet meer in. Wat dat betreft was hij binnen Snelwiek een éénling. Over het algemeen werd op de vraag’welke invloed het Z.V. persoonlijk heeft gehad?’ geestdriftig gereageerd. De culturele, sociale en ook politieke beschouwde men als een goede en leerzame basis voor het verdere leven. Vanaf zijn achtste jaar was Rob Klib bij de jeugdgroep de Flamingo’s. Hij zegt nog steeds profijt te hebben van de Z.V. invloeden en doet in zijn huidige woonplaats Schoonhoven sociaal-cultureel jeugdwerk.
Eén keer werd van indoctrinatie gesproken, maar dan in de meest positieve zin van het woord. Het kamperen heeft bij Piet de Ligt een grote indruk achtergelaten.
De onvermijdelijke maatschappelijke veranderingen als normvervaging, ethiek enzovoorts die in de navolgende jaren hebben plaatsgevonden zijn voor hem nauwelijks te accepteren. Toch zegt hij nog dagelijks geconfronteerd te worden met oude Volkshuis idealen.
Veranderde normen
Door de beginjaren heen heeft het Zuider Volkshuis verschillende vormen trachten te geven aan de verplichting van een dubbel lidmaatschap. Voordat in 1950 of 1951 werd besloten dat een koppeling niet meer noodzakelijk werd geacht, sprak men in een algemene vergadering op 19 januari 1947 dat eventuele oud – Zuider Volkshuis leden ook lid mochten worden of blijven van Snelwiek. Dit betrof onder andere Pleun en Nolda Nouwen en Cor Hoek. Er werd dus ijverig gezocht naar middelen die het toetreden tot de handbalafdeling versoepelden. Een andere variant in dezelfde vergadering besproken luidde; een lidmaatschap van vijf jaar Zuider Volkshuis en één jaar Snelwiek. Deze mogelijke oplossing werd verworpen omdat men inzag dat iemand met vierenhalf jaar lidmaatschap best een gedegen lid kon zijn. Weer later deed men het voorstel dat por elftal slechts eenderde buitenstaander mocht zijn. Het bestuur sprak het niet expliciet uit, maar eigenlijk wilden zij een toeloop aan nieuwe leden niet belemmerd zien door het Zuider Volkshuis.
Bij elke vergadering van Snelwiek was een afgevaardigde van het Zuider Volkshuis aanwezig. Tot aan het einde van de verbintenis in 1968 heeft dit voortgeduurd. Wel nam het enthousiasme van de afgevaardigde gedurende de jaren af. De reden dat een deputé aanwezig moest zijn kwam voort uit het feit dat het Zuider Volkshuis als rechtspersoon in de statuten en reglementen genoemd stond. Later, na de scheiding, kreeg Snelwiek eigen statuten en reglementen. Alle besproken invloeden namen per decennium en per Snelwieklid af. Een relatief kleine groep blijft het Zuider Volkshuis, vanaf 8 januari 1959 De Brink, tot op de dag van nu trouw. Al met al zou Snelwiek zonder Zuider Volkshuis misschien nooit bestaansrecht hebben gehad. Of waren wij als zelfstandige eenheid allang gefuseerd of van het toneel verdwenen. Door het vele jeugdwerk maakten jeugdigen kennis met het handbal. Het jeugdpotentieel is in de eerste twintig jaar dan ook altijd vrij hoog geweest. Zeker als dit vergeleken wordt met andere verenigingen. In 1952 kreeg handbalvereniging Snelwiek een zusje in de vorm van een basketbalvereniging onder dezelfde naam. De familie bestond al uit drie omdat onder de noemer Snelwiek ook al een volleybalvereniging actief was. Dat samenwerking en saamhorigheid overigens ver te zoeken was, getuige de opmerking van Aad Bosua in het eerste nummer van ‘Onze Trots’, waarin het het verschijnen van eigen blad “…ietwat verkeerd uitgevallen resultaat van de sportverenigingen onderling…” noemt. Bij zijn artikel stond een afbeelding waarop twee grote apen (handbal en volleybal) een klein onschuldig aapje (basketbal) tergen. Verderop doet Bosua een oproep voor “… uit de kluiten gewassen kerels, bekend met vergadertechniek, die niet terugschrikken voor sportieve ontmoetingen met aanverwante verenigingen. Oud SS-ers en woestijnratten genieten de voorkeur…”. Werd hier het bestuur van de handbalafdeling bedoeld?
Met veel dankbaarheid keken de bestuurders en de leden in 1968 bij de verzelfstandiging van Snelwiek terug op 27 jaar samenwerking met het Volkshuis.
Snelwiek kreeg een eigen accommodatie in het Zuiderpark en ging op eigen benen staan.
